Waarschijnlijk was dit de luidste stilte die ik ooit mee had kunnen maken. Ik stond tegenover hem, nog geen halve meter van hem vandaan. Alhoewel elke vezel in mijn lichaam zijn huid op de mijne wilde voelen, zijn hand in de mijne wilde laten rusten, was enkel het beeld van mijn met vuil besmeerde schoenen het enige wat mijn blikveld vulde. Ik wist wanneer ik de moed bij elkaar had verzameld en het lef zou hebben hem recht in zijn helderblauwe ogen aan te kijken, ik zou breken. Ik zou breken omdat ik te allen tijde die twinkel nog steeds op zou zoeken – en ik zou hem vinden. Ik wilde het niet zien, ik kon er niet naar kijken. Dat kleine, verhelderende lichtpuntje zou alles omhoog brengen wat me vervolgens langzaamaan van boven naar beneden door elkaar splijt. Dwars door je hart. En hoe koppig ik ook was, ik rechtte mijn hoofd en keek.

Ik keek naar een prachtig fijn gevormd gezicht, met een alleszeggende grijns, een spits doch schattig neusje, en twee oceaanblauwe kijkers. Ondanks hij nerveus was, wat ik kon vertellen aan dat kleine trekje bij zijn mond, leek hij relaxt. Hij stak nonchalant zijn handen in zijn zakken en slaakte een stille zucht. Even leek het alsof hij de conversatie wilde openen, maar die gedachte werd weggewoven toen hij zijn hoofd achterover gooide en er dit keer een iets diepere zucht uitkwam.

Was dit een goed teken? Dat ook hij stil was? Dat hij op een klein beetje nervositeit na toch nog zo relaxt leek en hij tenslotte na zo een avond toch hier met mij stond? De gedachtes maakten me gek, ik wist niet meer waar ik het zoeken moest en mijn blik eindigde weer op mijn vieze gympen. Vieze gympen door de chaotische avond, met misschien nog wel een meer chaotischere nacht. En waarom? Dat wist niemand. Ik begreep tot op dat moment ook niet dat je zelfs iemand kan missen terwijl diegene naast je stond… mijn ogen vulde zich langzaam met tranen, terwijl de trein van gedachtes een retourtje namen in je bovenkamer. Als we nu leefden in een perfecte wereld, had hij je nu hoogstwaarschijnlijk weer gezoend en me verteld dat het allemaal goed zou komen. Hij en ik.

Maar zijn handen trokken me uit mijn fantasie en pakte hardhandig mijn wangen vast, terwijl zijn twinkels mijn groene ogen een voor een bekeek. Zijn blik was bijna dwingend, alsof hij me iets wilde vertellen wat hij niet met zijn mond kon. Ik begreep het niet, ik wilde woorden horen. Ik moest iets horen. Ik raakte in hypnose door zijn blik, zijn nietszeggende alleszeggende hopeloze blauwe ogen, en op dat moment kon je er niet meer tegen vechten en ontsnapte er een traan. Al rollend liep de traan over je wang heen, en alsof dat op dat moment meer dan genoeg zei ging zijn blik van hopeloos naar verbazing en liet je in een ruk los. Hij zette een stap naar achter en liet zijn handen door zijn haren gaan terwijl hij zijn blik niet van je afwendde. Hij vloekte binnensmonds, nog net hard genoeg om het voor jou te horen en op dat moment drong het tot me door: hij wilde de woorden dolgraag zeggen, maar kon het niet. Hij is precies hetzelfde als jou. Hij wilt precies hetzelfde als jou. Bang voor zijn eigen succes, weglopen is makkelijker dan de confrontatie…

Het leken wel minutenlang te duren voor hij zijn handen weer op mijn wangen plaatste en onze gedachtes samensmolten als één. Ik wist het zeker. Hij wilde ook wegrennen, hij wilde ook een ‘ons’ zijn, alleen was het ondertussen zo gecompliceerd geworden dat er geen weg meer terug was enkel alleen nog wegrennen en duiken in het diepe. Voordat er nog meer tranen zouden vloeien probeerde ik mijn gedachtes opzij te zetten en dan maar van deze kans gebruik te maken om dingen te vragen. Ik moest het zeker weten, voor mezelf. Voor hem. Voor ons, voor de misschien, voor de tegen beter weten in. Ik moest de stilte verbreken, ik was de tel al lang kwijt geraakt hoe lang ik hier al zo voor hem stond, vastgenageld aan de grond en vastgeroest aan de prachtige ogen.

Hij schuifelde langzaam een paar centimeter mijn kant op en ik voelde zijn ademhaling over mijn gezicht. Zijn ademhaling – die hetzelfde was. Die één was. Ik werd kalm door de gedachte, want ergens gaf het me zoveel hoop, dat ik mezelf aanpraatte in mijn hoofd dat hij waarschijnlijk net zo nerveus was voor hetgeen wat er komen gaat.

Hij schuifelde een paar centimeter richting jouw kant op en je voelde zijn ademhaling over je gezicht. Het viel je op, dat jullie ademhaling hetzelfde was – het was een. Het gaf je ergens hoop, dat hij waarschijnlijk net zo zenuwachtig en bang voor hetgeen wat er komen gaat, maar wat het ook mocht zijn, zolang we maar samen bleven. Je knieën werden week, je armen slap en je kreeg weer dezelfde tintel in je vingers die je ook kreeg tijdens de eerste zoen. Zijn handen zakte naar achteren, pakte je haar vast en er verscheen een scheef, schattig lachje op zijn gezicht. Je tranige ogen, die nog steeds geen millimeter van de zijne afweken, begonnen te stralen en hoe erg je er ook tegen vocht – het was hulpeloos. Je bloed begon sneller te stromen, je hartslag ging omhoog. Je voelde het overal. Het licht van de lantaarnpaal scheen over de linkerkant van zijn gezicht, waardoor de twinkel nog mooier was als anders. Hij leek zo… Kalm. Jouw handen gingen voorzichtig richting zijn wang, en op dat moment schoof hij nog meer naar voren waardoor jullie voorhoofden elkaar aanraakten en er niks meer tussen ons in zat. Geen ruimte, geen lucht, geen… Niemand.

Je hand zakte vanaf zijn wang en liet hem uiteindelijk rusten op zijn hart. Zijn hartslag bonsde hard, steeds harder, en het deed je lachen en huilen tegelijkertijd. Je voelde hoe hij balend in zijn handen kneep waardoor hij je haar iets naar achteren trok. Nog steeds met de lach op je gezicht en tranen over je wangen was je twee millimeter verwijderd van zijn mond, van zijn kus, van jouw uitvlucht. Hij lachte terug en met een hartslag van tweehonderd besloot je het risico te nemen. Je hoofd ging naar voren, zijn handen lieten je haren los en je handen gingen naar zijn wangen. Hij liet z’n armen naast zijn lichaam zakken, en keek je ergens… Hoopvol aan. Met jouw hand nog op zijn hart ging de twinkel van je ene oog naar het ander, en zo bleef hij je secondes, misschien minuten aankijken. Plots verdween zijn lach van zijn gezicht en hij maakte ineens aanstalten om naar voren te gaan, steeds meer dichter bij je mond. Het was het toppunt van perfectie, het klopte.

Dit was het, de kus van gebroken liefde. De kus die waarschijnlijk nog meer zou verpesten dan dat het al heeft gedaan, maar je kon het niet weerstaan. Nee, je kon hém niet weerstaan. Hij zal altijd je zwak blijven, hoe het ook went of keert, hij is je prachtige vergissing. Hij sloot zijn ogen en zijn mond zocht de jouwe, en drukte je zachtjes naar achter waardoor je met je rug tegen de muur stond. Alle gedachtes die er op dat moment door je hoofd spookten, vaagde hij weg door met zijn handen jouw handen te pakken en erin te knijpen. Zo stonden we, een paar minuten, met alle passie van dien. De kus was eindeloos, hij liet je handen los en pakte wederom je beide wangen vast waarop hij je nog net iets harder zoende als de secondes ervoor. Je legde je handen op de zijne en kort daarop liet zijn mond de jouwe los. Je deed je ogen open en vond gelijk de twinkel in je zicht. De beide twinkels lachte naar je, alsof het nog niet binnengedrongen was wat er gebeurd was. Hij lachte, en hij bleef lachen terwijl hij zijn handen losmaakte van je wangen en een stap naar achter deed. Je lachte terug en staarde naar de twinkels terwijl jij weer een stap naar voren deed en zijn handen pakte. Hij boog zijn hoofd en staarde naar onze handen die verstrengeld in elkaar waren, en streelde je knokkels. Het gaf je een kans om hem eens te bekijken, in het licht van de lantaarnpaal en probeerde niet te denken aan de spijt die je de volgende ochtend ongetwijfeld zou hebben – maar hij verbrak de stilte. Zijn hoofd was nog steeds gebogen, en hij fluisterde; “Ik vind je zo leuk.” Je vingers gingen naar zijn kin en tilde hem omhoog zodat jullie blikken elkaar weer kruisten, en knikte. Meer dan dat, kon je niet uitbrengen.
Dit waren de minuten van de enige keer dat jullie één waren, dit was jullie debuut en jullie abrupte einde. Dit waren wij, hij en jij. En dit, dit was waarschijnlijk de laatste keer dat je kon voelen wat verliefd zijn was.